|
De auteur, met op de achtergrond een foto van Pieter-Geert Buckinx |
|
Joris Iven |
|
Zijn moeder bevestigt dat Joris Iven geboren is op maandag 25 januari 1954 om 11 uur in de voormiddag, in een zomerse ligstoel die stond opgesteld in de woonkamer van een huisje in de Volkstraat, nummer 59 in Diepenbeek. Hijzelf verduidelijkt dat Diepenbeek een plattelandsdorp is dat tussen de provinciehoofdsteden Maastricht en Hasselt ligt, en wel aan de Belgische zijde van de landsgrens. Na mislukte pogingen om door te breken in de wereld van het voetbal en de wielrennerij, stortte hij zich op zijn tweeëntwintigste vol overgave in de boekenwereld. Joris Iven, die wel eens last heeft van uithuizigheid, wilde al meteen de buitenwereld overtuigen van de kwaliteit van de Latijns-Amerikaanse literatuur en schreef samen met zijn vriend H. Ter-Nedden een bundel opstellen onder de titel “Uit de bek van de hel. Schrijvers in Latijns-Amerika” (uitgeverij Kritak, Leuven, 1980). Een jaar later liet hij de lezer kennismaken met de Turkse dichter Nâzim Hikmet en bracht samen met Perihan Eydemir een bundel vertaalde poëzie uit onder de veelzeggende titel “Turkse gedichten” (uitgeverij Masereelfonds, Gent, 1981). Helemaal in zijn eentje vertaalde hij poëzie van de Marokkaanse schrijver Tahar Ben Jelloun en liet een selectie uit die poëzie verschijnen onder de allesomvattende titel “De amandelbomen zijn aan hun verwondingen bezweken” (uitgeverij Masereelfonds, Gent, 1981). Intussen werkte Joris Iven met de nodige halsstarrigheid door aan een eerste eigen dichtbundel die inmiddels het licht zag onder de nietszeggende titel “Galerie De Taxus” (uitgeverij Manteau, Antwerpen, 1987). Hij hield een bescheiden aantal poëzielezingen en schreef verder gedichten die verschenen onder onheilspellende titels als “Egyptisch zwart” (uitgeverij Leuvense Schrijversactie, Leuven, 1993), “Perkament/Testament” (uitgeverij P, Leuven, 2001) en “Alles bij elkaar” (uitgeverij P, Leuven, 2005). Op een blauwe maandag schreef hij ook al eens theater, zodat in 1994 onder massale belangstelling het toneelstuk “De plicht van Pakowski” kon worden opgevoerd.
Enkele jaren geleden keerde hij terug naar zijn jeugdliefde in de poëzie en liet een uitgebreide selectie uit het werk van Nâzim Hikmet verschijnen onder de zeer eenvoudige titel “De mooiste van Hikmet” (uitgeverij Lannoo/Atlas, Tielt/Amsterdam, 2003). Door deze uitgave kreeg hij weer de smaak van het vertalen te pakken, zodat in 2006 de poëzievertaling van de Indiase dichteres Sujata Bhatt kon verschijnen, onder de titel “Naaktzwemmen in de geschiedenis”. In 2008 verscheen een poëzievertaling van de Amerikaanse poet laureate Charles Simic, onder de titel “Hotel Slapeloosheid”, en in 2011 verschijnt een vertaling van de Amerikaanse auteur Raymond Carver, onder de titel “Dun als balsahout”. Oude liefdes rusten soms lange tijd, maar ze roesten niet. Het theatergeweld kwam in 2007 weer opzetten bij Joris Iven, ditmaal in de vorm van enkele uitputtende dramatische monologen. Hij dook in het dichterlijke oeuvre van de Oegandese auteur Okot p’Bitek en kwam naar boven met twee monologen, “De klacht van Lawino” en “De repliek van Ocol”, monologen die nog op de planken zouden moeten worden gebracht, respectievelijk door een energieke zwarte vrouw en een dromerige zwarte man. In zijn schaarse vrije tijd ging Joris Iven in 2007 ook nog aan de slag met een oude theatermonoloog van Anton Tsjechov, “Over de schadelijkheid van tabak”, en hij bewerkte deze monoloog tot een aangrijpend en twijfelziek statement. In 2008 viel Joris Iven ten prooi aan de meest moderne ontwikkelingen op het internet en publiceerde hij een e-book met gedichten van hem in het Engels, in een vertaling van John Irons en onder de titel “Parchment/Testament”, en dit gewoon bij Demer Press. Zulk een e-book ging hem zo gemakkelijk af, dat hij er gewoon verder mee ging. In hetzelfde jaar verscheen nog het tweetalige Engels en Nederlandse e-book My love is like a red, red rose, eveneens in een vertaling van John Irons.
En verder verscheen in 2009 verscheen een keuze uit het werk van de Zuid-Afrikaanse Zulu dichter Mazisi Kunene in Nederlandse vertaling onder de titel “De Voorvaderen en de Heilige Berg/The Ancestors and the Sacred Mountain. Zulu gedichten/Zulu Poems”, een tweetalige uitgave, Nederlans en Engels. Naast deelname aan enkele bundels met verscheidene dichters noteren we een heuse publicatie met zijn wettelijke echtgenote, Hannie Rouweler, “Open doek, sluiers”, een e-book dat verscheen bij Demer Uitgeverij. En dan verscheen er dat jaar ook nog de bundel “Sluiter/Sluier”, met gedichten van Joris Iven en foto’s van Willy Vanheers. In 2009 verscheen bovendien de langverwachte bundel “Ninglinspo” bij de reguliere uitgeverij P.
In het bijzonder goed afgewogen jaar 2010, toen de eerste twee cijfers net het dubbele waren van de twee laatste, dook Joris Iven behoorlijk diep in het verleden, waar hij op de eerste bekende dichter van de Nederlandse taal stootte, Hendrik van Veldeke, een roemrijke streekgenoot. Op basis van de vertalingen van professor Frank Willaert maakte hij bijzonder hedendaagse hertalingen van de oeroude “Minneliederen”.
Joris Iven heeft er altijd vreemde liefdes op na gehouden. Dat is intussen algemeen bekend. Zo’n blijvende vreemde liefde is de Ierse poëzie. Tot verbazing van menig vooraanstaand Iers dichter heeft hij er met zijn typische halsstarrigheid voor gekozen om eerst zijn drieëntachtigjarige vriend Pearse Hutchinson te vertalen, onder de lieflijke titel “Mooie rode zijden liefde/Beautiful red silk love”, en dit samen met die andere, weliswaar jongere Ierse vriend, Peter Flynn. Met deze jongere Ierse vriend werkt Joris ook nog naarstig verder aan een bloemlezing met tien onbesproken kopstukken uit de naoorlogse Ierse poëzie! Die bloemlezing zou moeten verschijnen in 2012. Maar eerst zal in 2011 nog een vertaling van de poëzie van de Amerikaanse auteur Raymond Carver verschijnen, onder de titel “Dun als balsahout”. Deze vertaling zal inslaan als een bom.
· Essays · Toneel |