|
Smeekbedes van Ofélia Queiroz aan Fernando Pessoa
1
Als je dat wat je wilt hebben maar zegt, en je gaat er lang genoeg mee door, dan kun je het ook krijgen, zo dacht ik, aanvankelijk toch, maar zo is het nu eenmaal niet gelopen. Weet je nog, die allereerste ontmoeting? Ik zag je de trap op komen, ja, helemaal in het zwart,
breedgerande hoed, een bril, een kleine, donkere strik om de hals. Je liep alsof je voeten de grond niet raakten, de broekspijpen in slobkousen gestoken. Toen ik dat zag, kreeg ik bijna de slappe lach. Later, vanachter het bureau
kwamen de steelse blikken, een glimlach om de mond, en een waarschuwing. In de traploper zit een gat, pas op dat je niet valt. Maar ik ben gevallen, en wel voor jou,
toen je als een Hamlet zei: “Ik bemeet mijn verzen slecht, ik mis de kunst mijn zuchten te meten.” En je kuste me.
2
Na drie maanden kwam de eerste brief en de brief verwijst meestal naar verwijdering. Ik ga bij mijn zus op bezoek en jij verwacht familie die zal terugkeren uit Afrika. Je hebt een angina en geeft slijm op, de hele tijd moet je spuwen. Je keel doet zo’n pijn en je hebt een alarmerende koorts.
In de woestijn zit je. Je hebt dorst en er is niemand die je te drinken geeft. Zal ik dat doen? Je had een betere behandeling van het noodlot verdiend. Zeg me wat. Heb je een goede nacht gehad? Wat een koude dag vandaag!
Ben je nat geworden van de regen of heb je alles ingepakt voor de verhuizing? Let niet op mijn handschrift, want ik loop op wolken, sinds je mij “verleidelijk lijfje” hebt
genoemd. Ik moet nog thee drinken en mijn gebeden zeggen tot Sint-Helena, voor middernacht. Dag, boefje.
3
Je bent een boef, zwart als roet. Je bent gemeen, maar ik vergeef je alles om die ene steelse blik, die hofmakerij, de briefjes en cadeautjes. Een poppenstoeltje van rood stro, een filigraan armband, een medaillon met poesjes om een foto van jou erin te doen. Maar ik heb geen foto.
Zo veel verkleinwoorden om het onuitspreekbare uit te drukken, uit te rukken. Er hangen draden, zeg je. Maar waar zullen ze aanknopen, denk je? Is er geen manier, plaats en tijdstip te vinden dat we iets langer
kunnen praten? Alles gaat zo vlug voorbij. Schrijf me. Wat een onbeschaamde schooier ben je. Je loopt van café naar café en ik heb zo’n reële nood aan woorden,
aan troost. Ik stond vandaag in de regen. Ik ben nat als een verzopen kat, maar jou zie of hoor ik niet.
4
Is het dat wat je wilt? Als je morgen langs komt, kun je dan naar me kijken? Ik zal aan het raam staan. Dan zal ik gekke bekken naar je trekken. En jij werpt me kusjes toe en huppelt alle trappen voor de deuren op en af. Onbereikbaarheid is een abstract begrip, maar jij geeft
het een heel concrete invulling. Je stapt parmantig als een eenzaat door de straat en houdt je innerlijk verborgen voor blikken. Ik kan wel naar je reiken, maar je niet raken. We hebben het liefhebben lief, maar nooit hebben we
elkaar bemind. Ik neem genoegen met graag willen. Waarom heb je me niet geschreven? Ik zit op kantoor, heb ontzettende buikpijn, te veel water gedronken bij
mijn tussendoortje. Is het waar dat je veel gedichten hebt geschreven? Hoe vind je maar de tijd daarvoor?
5
Wanneer maak je eens tijd voor mij? Bij de zorgen om jou voegen zich twijfels. Is het waar dat de posterijen nu gaan staken? Hoe moeten we elkaar dan bereiken? Maar ik verwacht niet veel meer. Je schrijft me alleen om me op mijn nummer te zetten. Ik zou je vaker willen schrijven,
maar hoe beter men is, hoe minder men wordt gewaardeerd. Ik snap niet hoe we elkaar voortdurend kunnen mislopen. Altijd horloges die niet gelijk liepen? Morgen wacht ik op je. Zorg dat je er bent. Al drie dagen heb ik je niet gezien.
De gerstekorrel aan mijn oog wordt alsmaar groter. Ik begrijp best dat ik niet interessant voor je ben. Ga je komende maand naar een inrichting of het buitenland?
Verdwijn, alsjeblieft. Je schaduw was een donkere spiegel en de spiegel, waarin jij zag wie je was, sla ik nu stuk.
· Essays · Toneel |
|
Joris Iven |